Accijns – Memo

Memo Biobrandstof (zonnebloemolie)
Aan Alle medewerkers van de douane die belast zijn met controle op het gebruik
Van BoeteFraudeCoördinatoren van Douane Noord, West, Rotterdam en Zuid
Datum 27 juli 2005

Beste collega’s,

Aanleiding voor dit memo:
Afgelopen week is de douane enigszins ‘negatief’ in de pers gekomen. De reden hiervoor was een wat ongelukkig geciteerde uitspraak van de persvoorlichter van de douane.
Aan de persvoorlichter werd gevraagd of je mag rondrijden met zonnebloemolie in je tank. Een deel van het antwoord dat zij gaf is formeel juist. Als in Nederland zonnebloemolie wordt gebruikt als motorbrandstof wordt de zonnebloemolie aangemerkt als een minerale olie en is de accijns verschuldigd. Dat de douane regelmatig zou controleren op biobrandstof in de tank is echter tot op heden wat te kort door de bocht. Volgens de persvoorlichter zou de douane bij het aantreffen van biobrandstof een boete en een naheffing opleggen.
De vier BFC’ers van de douane hebben gemeend om meer duidelijkheid te moeten verschaffen hoe vooralsnog moet worden omgegaan met de controles waarbij biobrandstof wordt aangetroffen in de brandstoftank van een motorrijtuig of een pleziervaartuig. Vandaar dit memo.
Wat is biobrandstof eigenlijk?
Biobrandstoffen zijn er in veel soorten. De belangrijkste zijn alcohol (vooral gewonnen uit suikerriet of maïs) en biodiesel (gemaakt van oliehoudende gewassen als koolzaad en raapzaad). Ook de puur plantaardige oliën (PPO) zoals zonnebloemolie en slaolie vallen onder de noemer biobrandstof.
Biobrandstoffen als motorbrandstof:
Biobrandstoffen die worden gebruikt als motorbrandstof werden tot 1 januari 2004 belast met accijns op grond van artikel 25 lid 2 letter a Wet op de accijns. Met ingang van 1 januari 2004 worden deze biobrandstoffen genoemd in artikel 25 lid 1 Wet op de accijns.
Op deze wijze worden biobrandstoffen onder de controlebepalingen geplaatst. Dit betekent dat de productie en het voorhanden hebben van biobrandstoffen, waarvan de accijns nog niet is voldaan en die bestemd zijn als motorbrandstof, niet is toegestaan mits voldaan wordt aan een aantal stringente voorwaarden. De productie van biobrandstoffen dient dan ook in een accijnsgoederenplaats (AGP) te geschieden en het vervoer onder schorsing van accijns dient plaats te vinden onder begeleiding van een administratief geleidedocument.
Voor zover de biobrandstoffen niet zijn genoemd (GN-code) in artikel 25 lid 1 Wet op de accijns, is artikel 25 lid 2 letter a Wet op de accijns van toepassing en hebben zich geen veranderingen voorgedaan. De producten zijn belast met accijns en vallen op grond van artikel 5 lid 3 letter d Wet op de accijns eveneens onder de controlebepalingen.
(Bron: Rapport biobrandstoffen in Nederland mei 2005)
Mengen door particulieren:
Het is ook mogelijk dat particulieren biobrandstoffen bijmengen bij reguliere fossiele brandstoffen. Dit betreft veelal particulieren die slaolie in supermarkten kopen en vervolgens mengen met de diesel in hun tank. Er is een voorbeeld bekend van iemand die bijvoorbeeld tot 30% slaolie in zijn tank gooit. Het zal echter niet zo’n vaart lopen met deze experimenten. Ze werken eigenlijk alleen bij wagens met oudere dieselmotoren. Moderne motoren (HDI, TDI, etc) werken met moderne injectiesystemen die zonder aanpassingen zeer snel zullen verstoppen. Dit in verband met de viscositeit van plantaardige oliën. Daarbij komt nog dat door het bijmengen van bijvoorbeeld slaolie motoren snel slijten. De baten zullen niet op wegen tegen de kosten op de langere termijn. Mogelijk kan dit fenomeen worden meegenomen bij de reguliere monsternames in het wegverkeer (blanke en rode gasolie). Een complicerende factor hierbij is dat het laboratorium wel de aanwezigheid van biobrandstoffen kan aantonen maar niet de exacte hoeveelheid bijgemengde biobrandstoffen.
(Bron: Rapport biobrandstoffen in Nederland mei 2005)

Tijdstip belastbare feit:
Bij de particulier die in de supermarkt PPO koopt ontstaat het belastbare feit pas als deze de PPO in de brandstoftank doet. Op dat moment geeft de particulier aan de PPO de bestemming ‘gebruik als motorbrandstof’.
De particulier die aan de PPO de bestemming ‘gebruik als motorbrandstof’ geeft moet dan ook dagaangifte doen voor de verschuldigde accijns. Het belastbaar feit is in dit geval het vervaardigen van een accijnsgoed. Onder vervaardigen verstaat artikel 1a, eerste lid letter b, Wet op de accijns: elk handelen waarbij of waardoor een accijnsgoed ontstaat of de samenstelling van een accijnsgoed wordt gewijzigd.
Op grond van artikel 2f Wet op de accijns wordt het vervaardigen van een accijnsgoed als uitslag aangemerkt.
De accijns wordt ook van deze particulier geheven op grond van artikel 51a Wet op de accijns. Het tijdstip waarop de verschuldigdheid ontstaat is het moment van vervaardigen (artikel 52a Wet op de accijns). Uiterlijk op de dag na het ontstaan van de accijnsschuld moet aangifte worden gedaan (artikel 53a Wet op de accijns) en moet de accijns zijn voldaan.
Het is echter niet toegestaan om een accijnsgoed te vervaardigen buiten een AGP. Doe je dit wel dan is overtreden artikel 5, eerste lid letter a, Wet op de accijns. Het opzettelijk vervaardigen buiten een AGP is strafbaar gesteld in artikel 97 Wet op de accijns. Op dit moment geldt voor een dergelijke overtreding, afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid, een transactie van minimaal € 226,00. Dit in tegenstelling tot de door de persvoorlichter genoemde boete van € 4,53 per liter tankinhoud.

Let op!: Als PPO in de brandstoftank wordt aangetroffen is er niet altijd sprake van vervaardiging. Als uit de verklaring blijkt dat de bestuurder de PPO niet in de brandstoftank heeft gedaan of niet weet hoe deze in de brandstoftank terecht is gekomen dan heeft de bestuurder de PPO voorhanden. In dat geval zegt artikel 2f dat het voorhanden hebben van een accijnsgoed dat niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing is betrokken als uitslag wordt aangemerkt. Ook nu weer zijn de artikelen 51a, 52a en 53a Wet op de accijns van toepassing.

Knelpunten:

  1. De controlebevoegdheden die in de Wet op de accijns zijn gegeven zijn alleen van toepassing als vaststaat dat biobrandstoffen zijn bestemd voor belaste doeleinden. Alleen op dat moment ontstaat een belastbaar feit en zijn de controlebevoegdheden van toepassing. Dit impliceert, dat de Belastingdienst / Douane geen mogelijkheden heeft om gebruik te maken van de controlebevoegdheden van de Wet op de accijns. Pas als vaststaat dat het om vervaardigen van minerale oliën gaat kan een beroep worden gedaan op de wettelijke controlebepalingen. Zelfs het aanwezig hebben van herkomstbescheiden bij het voorhanden hebben van biobrandstoffen, op grond van artikel 34 Uitvoeringsbesluit en artikel 52 Uitvoeringsregeling accijns, is niet vereist. Dit zal er toe leiden dat het controleren op misbruik ernstig wordt bemoeilijkt waarbij het constateren van misbruik zal worden gereduceerd tot toevalstreffers.
    (Bron: Rapport biobrandstoffen in Nederland mei 2005)
  2. Voor biobrandstoffen is geen tarief vastgesteld. Op grond van artikel 28 Wet op de accijns dient het tarief toegepast te worden waarmee de biobrandstof het meest overeenkomt. De Rtp. kennisgroep accijns heeft naar aanleiding van helpdeskvragen in overleg met het Laboratorium een aantal standpunten ingenomen. Het verdient aanbeveling deze uitgangspunten nader uit te werken en vervolgens vast te leggen in een beleidsbesluit.
    Hierbij dient ook aandacht geschonken te worden aan de vraag of biodiesel of biobrandstoffen die worden toegepast in dieselmotoren voorzien dienen te zijn van herkenningsmiddelen wil aanspraak gemaakt kunnen worden op het laagbelaste tarief. Nagegaan dient te worden of artikel 27 lid 3 Wet op de accijns in dit geval aanpassing behoeft.
    (Bron: Rapport biobrandstoffen in Nederland mei 2005)
  3. In het buitenland (Duitsland, Frankrijk, Spanje en Zweden) is aan de pomp al biobrandstof verkrijgbaar. In Duitsland alleen al zou het om ongeveer 700 tankstations gaan. De douane zal bij controle van de inhoud van de brandstoftank biobrandstof kunnen aantreffen. Dat kan dan PPO zijn maar ook blanke gasolie waaraan een kleine hoeveelheid biodiesel is toegevoegd.
    Op grond van de Wet op de accijns wordt brandstof die je voorhanden hebt in de brandstoftank of in een draagbaar reservoir en die in een andere lidstaat is uitgeslagen of ingevoerd niet als uitslag aangemerkt. Over deze brandstof is in Nederland dus geen accijns verschuldigd.
  4. Naheffing vindt plaats over de hoeveelheid PPO die in de brandstoftank wordt aangetroffen. De douane moet dus vaststellen hoeveel brandstof in de tank aanwezig is. Daarbij komt dat het vaak zal gaan om een deel PPO en een deel blanke gasolie. Over de gasolie is waarschijnlijk al accijns betaald. Vastgesteld zal moeten worden hoeveel liter PPO in de brandstoftank aanwezig is om een juiste naheffing te kunnen opleggen. Het is bekend dat het heel lastig zo niet onmogelijk is om de juiste hoeveelheid aanwezige brandstof vast te stellen.
    Gezien de hiervoor genoemde knelpunten zal eerst nader beleid moeten worden geformuleerd. Zowel het Ministerie van Financiën, B/CPP als de Rtp kennisgroep accijns zijn momenteel bezig met deze problematiek. Zodra hierover meer duidelijkheid is verkregen zal door de BFC’ers bekeken worden in hoeverre dit gevolgen heeft voor de uiteindelijk sanctionering.

Controlebeleid douane met betrekking tot biobrandstof:
Vooralsnog worden er geen controles ingesteld bij supermarkten en worden er ook geen gerichte acties uitgevoerd op het vervaardigen en / of het gebruik van biobrandstof.
Als tijdens een reguliere controle het vermoeden ontstaat dat er sprake is van het rijden op biobrandstof wordt een monster van de brandstof genomen en ingezonden aan het douanelaboratorium ter bepaling van aard en samenstelling. De monsteruitslagen dienen uitsluitend als signalering. Er worden geen transacties versneld aangeboden.
Wel moeten alle relevante gegevens van de bestuurder en het voertuig worden genoteerd en vastgelegd in DFB. Na de uitslag van het monsteronderzoek wordt een PV van bevinding opgemaakt en ingezonden naar de BFC’er. Deze beslist uiteindelijk wat er verder zal gebeuren.

Alleen na toestemming van de BFC’er kan hiervan worden afgeweken.